De geschiedenis van de Stadsschouwburg Amsterdam

Ga mee op reis door de lange geschiedenis van Het Huis van het Nederlandse Theater. De Stadsschouwburg die nu op het Leidsplein staat, dateert van 1894. Maar de geschiedenis van de Amsterdamse schouwburg gaat veel verder terug, tot 1638. Tot tweemaal toe brandde de schouwburg tot de grond af. En werd hij herbouwd.  Sinds 1894 is de Amsterdamse schouwburg het belangrijkste theater van Nederland. Na een grondige verbouwing en ontstoffing en de opening van een nieuwe state-of-the-art theaterzaal in 2009 is de de Stadsschouwburg klaar voor het theater van de toekomst. 

De eerste Amsterdamse schouwburg

In 1638 werd een houten schouwburg geopend aan de Keizersgracht, ontworpen door Jacob van Campen. Speciaal voor de opening schreef Joost van de Vondel Gysbrecht van Aemstel, het stuk dat uitgroeide tot dé Nederlandse toneelklassieker. De Gysbrecht was vanaf dat moment de traditionele openingsvoorstelling van het nieuwe jaar. Iedere Amsterdammer kende het stuk. Het stuk speelde ruim 300 jaar onafgebroken in Amsterdam, tot deze traditie sneuvelde in de golf van theatervernieuwingen van de jaren 1960. Drie jaar geleden hebben Het Toneel Speelt en de Stadsschouwburg Amsterdam de Gijsbrecht (nu in moderne spelling!) in ere hersteld.

Download hier de het artikel Gijsbrecht van Amstel (pdf).

Op 11 mei 1772 brandde deze eerste Amsterdamse schouwburg tot de grond toe af. Om een grotere lichtopbrengst op het toneel te krijgen had men het aantal kaarsen, in die tijd de enige lichtbron, verdubbeld. Het gevolg was dat de gordijnen tijdens een voorstelling vlam vatten. Er vielen 18 doden onder de bezoekers en één brandweerman kwam om.  

De nieuwe Stadsschouwburg op het Leidseplein

In 1774 werd een nieuwe schouwburg geopend, op het Leidseplein. Ook dit gebouw was geheel van hout. In de periode dat Napoleons soldaten door Amsterdam marcheerden veranderde de schouwburg meerdere malen van naam en was afwisselend Staats-, Hof- en Stadstheater.

Napoleon zelf bezocht de schouwburg tijdens zijn bezoek aan Nederland in 1811. Hij zag er Johanna Cornelia Ziesenis-Wattier spelen en noemde haar 'de grootste actrice van Europa'.

Om geluidsoverlast van paarden en koetsen op het plein te voorkomen werd de schouwburg in 1874 voorzien van een stenen buitenmuur. De gevels werden verfraaid met beeldhouwwerken en kreeg het gebouw een streng classicistisch uiterlijk.

Ook deze schouwburg ging in vlammen op. Op 19 februari 1890 zorgde een groots vuurwerk op het Leidseplein voor een grandioos spektakel. Later die nacht veranderde de schouwburg in een grote vuurzee. Waarschijnlijk was een smeulende voetzoeker de oorzaak van de brand.

Het huidige gebouw

De Koninklijke Vereeniging 'Het Nederlandsch Toneel’ nam direct het initiatief tot herbouw, mogelijk gemaakt met geld van rijke Amsterdammers. Een stad van enig aanzien hoorde tenslotte een eigen schouwburg te hebben. De architecten A.L. van Gendt en J.L. en J.B. Springer ontwierpen een nieuwe schouwburg van steen. De oude classicistische gevels werden vervangen door een façade in neorenaissancestijl. In 1894 werd de Stadsschouwburg Amsterdam op het Leidseplein geopend. Dit gebouw staat er nu nog steeds.

De vele deuren van de schouwburg: een zaak van rang en stand

Oorspronkelijk had de Stadsschouwburg een groot aantal ingangen. Dit kwam omdat iedere bevolkingsgroep zijn eigen plaats had in de zaal, zijn pauzedrankje gebruikte in aparte foyers en dus ook de schouwburg betrad via zijn eigen entree.

De hoofdingang in het midden was uitsluitend voor het deftige publiek. Voor deze ingang bevindt zich een passage waar de koetsen vroeger onder konden rijden tot aan de deuren.

In de Rotonde, een ronde hal met een spiegelwand, wachtte dit deftige publiek na afloop van de voorstelling tot hun naam door een suppoost werd omgeroepen ten teken dat hun koets was voorgereden.

De beide andere ingangen bevonden zich links en rechts van de hoofdingang. Deze ingangen waren bestemd voor het minder rijke publiek en leidden naar het tweede en derde balkon, met uitsluitend houten stoelen en staanplaatsen. Om het derde balkon te bereiken moest men 88 treden opklimmen.

Ook aan de Marnixstraat bevonden zich drie ingangen. Naast de nog steeds bestaande artiesteningang was er een toegang tot de zogenaamde Paardenbrug, die gebruikt werd om paarden op het toneel te brengen, en een Koninklijke Ingang voor Koninklijk bezoek.

De zaal en het publiek

De Grote Zaal werd gebouwd in barokstijl en rijkelijk versierd met beelden, ornamenten en kroonluchters. Op de rand van het eerste balkon staan de namen van grote toneelschrijvers. De zaal is gebouwd in de vorm van een hoefijzer in hoftheaterstijl.

Er waren 900 zitplaatsen. Tegenwoordig zijn er daarvan 750 in gebruik, de overige plaatsen bieden onvoldoende zicht op het toneel. Dat was vroeger niet zo'n probleem, omdat het niet alleen om de voorstelling ging, maar ook in grote mate om het sociale gebeuren daaromheen. Theaterbezoek was tot en met de 19e eeuw een zaak van 'zien en gezien worden'. De hoefijzervorm zorgde ervoor dat het publiek niet alleen het toneel, maar ook elkaar goed kon bekijken. Het beste zichtbaar was de Koninklijke familie. Voor hen was (en is) bij schouwburgbezoek de Koninklijke Loge gereserveerd, in het midden van het eerste balkon.

Tegenover de Koninklijke Loge bevond zich de Koninklijke Foyer, vroeger voorbehouden aan het Koninklijk bezoek. Dat had er zelfs zijn eigen Koninklijke toilet. Koningin Wilhelmina vond al deze luxe echter overbodig: ze wilde een ‘normale’ toeschouwer zijn. Sindsdien zijn de kronen van de balustrade van de loge verdwenen, evenals het koninklijk toilet.

Vroeger waren er geen zitplaatsen in de zaal zelf. Het publiek leunde tegen schotten die op de vloer waren aangebracht. Op het eerste balkon waren de loges, grotendeels aan het zicht onttrokken. In deze zogenaamde 'kamertjes' konden de heren van stand ongezien met hun maîtresses van het spektakel op het podium (en andere zaken) genieten.

Het gedrag van het theaterpubliek is behoorlijk veranderd  sinds de 19e eeuw. Nu wordt van het publiek stilte verwacht. Vroeger was dit heel anders: de toeschouwers liepen in en uit, praatten, aten en dronken tijdens de voorstelling. Het publiek ging soms zo in het spel dat het vergat dat het slechts toneel was. Vaak bemoeiden toeschouwers zich met wat op het podium gebeurde en riepen luidop ze wat ze van een personage vonden.

Vooral het gewone volk, dat op het derde balkon (de Engelenbak of het schellinkje) goedkope staanplaatsen kon kopen, was vaak rumoerig. Een traliewerk moest verhinderen dat de spelers bekogeld werden en een politieagent was nodig om de orde te handhaven. Soms werden spelers zelfs buiten opgewacht en uitgescholden of beschimpt.

De Stadsschouwburg en zijn bespelers

Sinds de opening in 1894 is de Stadsschouwburg Amsterdam het belangrijkste theater van Nederland. Vaste bespelers waren vroeger De Nederlandse Opera en Het Nationale Ballet en steevast ook het grootste toneelgezelschap van het land - tegenwoordig is dat Toneelgroep Amsterdam, het huisgezelschap van de Stadsschouwburg Amsterdam.

Met de komst van Het Muziektheater vertrokken Ballet en Opera uit de Stadsschouwburg en bleef het toneelgezelschap als enige vaste bespeler over. De schouwburg begon ook steeds meer een eigen koers te varen met (vooral) toneelvoorstellingen, maar ook hedendaagse dans, muziektheater en theater voor kinderen. Geen cabaret, geen musicals: het aanbod mocht serieuzer zijn, tot nadenken stemmen, de geest prikkelen.

De portrettengalerij van de schouwburg is een unieke collectie schilderijen en foto's van alle grote acteurs en actrices van Nederland, die allemaal op de planken van de schouwburg hebben gestaan. Of nog staan, want sinds enkele jaren krijgen de winnaars van de Theo d'Or en Louis d'Or, de belangrijkste Nederlandse acteerprijzen, hun eigen portret aangeboden.

Download hier het artikel Amsterdam Walk of Fame - De Portretten van de Stadsschouwburg in 12 anekdotes.

De 21e eeuw: vernieuwing en een tweede zaal

Eind jaren 1980 bleek dat de Stadsschouwburg een beetje aan het indommelen was en het gebouw als een ontoegankelijk bastion werd ervaren. Voor en na de voorstellingen gingen de deuren dicht en was het stil in de schouwburg. Huisgezelschap Toneelgroep Amsterdam had ook een grote nood aan een zaal voor hun technologisch vooruitstrevende voorstellingen. Er werden grote plannen gesmeed: niet alleen om een nieuwe zaal te bouwen (tussen schouwburg en het naastgelegen poppodium Melkweg), maar ook om de schouwburg open te gooien en er een bruisende culturele ontmoetingsplek van te maken.

Na jaren dromen, plannen, vergunnen, breken en bouwen was het in 2009 zover: de nieuwe zaal van de Stadsschouwburg Amsterdam, Toneelgroep Amsterdam en Melkweg ging open en de verbouwing van de voorkant van de schouwburg was klaar. De nieuwe zaal, de Rabozaal, was bepaald geen kleintje: hij heeft een capaciteit van ruim 500 stoelen. De naastgelegen Nieuwe Foyer zweeft boven de Lijnbaansgracht, wat zorgt voor een spectaculair uitzicht over het water. “Amsterdam is weer een beetje meer grootsteeds geworden”, schreef de Volkskrant.

Met het nieuwe café en de vernieuwde programmering is het stof eruit en de schouwburg die bruisende plek geworden. Theater vormt nog steeds het kloppende hart van de programmering, maar er is ook plaats voor maatschappelijk relevante en actuele programma's onder de naam Expanding Theatre.

Download hier het interview Tien jaar Expanding Theatre.

Meer lezen

- Op wikipedia
- In het boek Rozen en tomaten van Lambiek Berends
- In het boek De schouwburg in beeld. Amsterdamse toneelscènes 1665-1772 van Wiebe Hoogendoorn (2013)
- In het boek Het huis op het Leidsplein van Ben Albach
- In het boek Het toont in kleen begrip al 's menschen ydelheid. De portrettencollectie van de Stadsschouwburg Amsterdam van L. van Stekelenburg
- In het boekje Tien jaar Expanding Theatre van Melle Daamen (gratis verkrijgbaar in de Stadsschouwburg)
- Het interview Tien jaar Expanding Theatre (download)
- Het artikel Gijsbrecht van Amstel (download)
- Het artikel De Portrettengalerij van de Stadsschouwburg in 12 anekdotes (download)